Dit gedicht werd vroeger de kinderen aangeleerd. Vaak door ouders aan kind maar ook op school van hun onderwijzer. Het gedicht haat over de grote slag bij Waterloo.
In juni 2015 is het 200 jaar geleden dat ten zuiden van Brussel een grote veldslag werd uitgevochten. Deze zou een belangrijke stempel drukken op de navolgende vijftig jaren Europese geschiedenis. De Nederlanders, Belgen en Britten noemen het de slag bij Waterloo, de Fransen (Napoleon Bonaparte) de slag bij Mont Saint-Jean en de Pruisen de slag bij Belle Alliance. De veldslag had een zó diepe indruk op tijdgenoten gemaakt dat hij vele jaren later nog in het collectief geheugen stond gegrift. Door de belangrijke Nederlandse bijdrage bleef de veldslag bij Waterloo ook in ons land nog lange tijd terugkomen in allerlei publicaties. De verwonding, die de prins van Oranje in deze veldslag had opgelopen en die hem meteen had bestempeld tot ‘de held van Waterloo’, zal zeker hiertoe hebben bijgedragen. Een van de publicaties over Waterloo was het korte romantische vers ‘De Pijpenkop’, waarschijnlijk geschreven omstreeks het jaar 1865.
In de loop van de tijd heb ik verschillende versies van mensen ontvangen.
1 De eerste versie heb ik van mijn eigen oma Janssens.
2 De tweede versie komt uit het blad de “Engelbracht van Nassau” Van de Heemkundige Kring Breda 2005-2 Door Jacques Jespers.
3 Derde versie kreeg ik toegespeeld via internet door Maurice Smolders (december 2006) tekst in de schrijfwijze rond 1930. Dichter : Bernardus van Meurs S.J. (1835-1915)
4 In april 2012 kreeg ik via internet weer een reactie. Dit keer van Lilian Potters. Zij kreeg van haar moeder Bets Potters – van Gompel het gedicht op een papier waarop zij dat zelf heeft getypt op een typmachine. Zij is geboren in augustus 1922 te Tilburg. Mogelijk heeft zij het in de jaren 30 op haar school in de wijk Heikant in Tilburg geleerd.
5 In mei 2008 kreeg ik via internet weer een reactie. Dit keer van Tom Smolders. Ook hij kreeg van zijn oma het gedicht toegespeeld. Hij heeft daarna uitgebreid onderzoek gedaan en komt met het origineel uit 1782 in het Duits van Gottlieb Konrad Pfeffel (1736-1809)
6 Tom Smolders komt ook met de originele versie in het Nederlands. Hij bevestigd de schrijver Bernardus van Meurs S.J. (1835-1915). Bernardus van Meurs was een priester en dichter die onder andere in het tijdschrift “De Katholieke Illustratie” zijn gedichten publiceerde. De Pijpenkop staat op bladzijde vijfenzeventig van de bundel “Germania’s dichtbloemen, verzameld en overgeplant” van Bernardus van Meurs (1874), waarvan de derde druk in 1893 bij uitgeverij Blom en Olivierse te Culemborg verscheen.
7 José Smeets Wolters kwam op 14 oktober 2012 met een leuke aanvulling. Het gedicht blijkt door haar moeder, geboren in 1919, vaak gezongen te zijn: Het liedje “pijpenkop” heeft dezelfde melodie als “aan de oever van de stille vliet”. Hier had zij geen geschreven versie van.
| Gedicht versie 1 De Pijpekop Zeg oudje,smaakt je pijpje goed? Wat rookt die kop mooi door! ’t Is echte meerschuim naar het schijnt. Zeg op wat vraagt ge er voor? Mijnheer die kop is niet te koop . Ik kreeg hem eens cadeau. Op ’t slagveld van mijn kapitein. Die viel bij Waterloo. Dat ging er daar geducht op los. Ik stond van ’t middaguur, tot ’s avonds, zonder nat of droog. Toujour maar in ’t vuur! Vertel mij dat ’n andere keer. Toe geef me uw pijpekop. Ik bied er ’n goud tientje voor. Wat draalt ge? Komzeg top! ‘k Ben maar ’n arme man mijnheer. En heb een klein pensioen. Doch deed g’er 1000 gulden bij. Ik zou die ruil niet dalen. Ik stond gelijk ik zei, in ’t vuur. En naast mijn zij, o God, kreeg onze brave kapitein, vlak in zijn borst, een schot. Ik ving hem in mijn armen op. En droeg ’t gedrang hem uit. ‘k Verbond Zijn wond en zag met vreugd! Het stromend bloed gestuit. Toen gaf hij mij deez’ pijpekop. En ook zijn beurs met geld. Hij drukte mij voor ’t laatst de hand. En stierf gelijk een held. “Die beurs geef ik aan ’t arm gezin, wiens huis is afgebrand” . Zo dacht ik, maar die pijpekop, komt nooit in vreemde hand. Mooi! Brave borst,hoe heette hij, die goede kapitein? We noemden hem: beste va. Zijn naam was, van de Klein. Ziet gij in ’t bos die gevelspits? Dat slot? Daar woonde hij. Het was mijn vader, beste vrind. Dat huis behoort aan mij. Hebt gij mijn vader bijgestaan, In d’uren van zijn dood? Kom brave, ga dan met mij mee. En eet voortaan mijn brood. Is ’t moog’lijk heer, zijt gij zijn zoon? En woont gij op zijn erf? ‘k Ga met u mee.De pijpekop, krijgt gij, wanneer ik sterf. |
| Gedicht versie 2 De Pijpenkop Dag oudje, smaakt het pijpje goed? Wat rookt die kop mooi door. ’t Is echte meerschuim naar het lijkt, Zeg op, wat vraagt ge er voor? Ik bied je er een goudtientje voor. Wat draalt ge nou, zeg op! Ik ben maar een arme man, mijnheer En heb een klein pensioen. Doch al deed ge er duizend gulden bij Ik zou die ruil nooit doen. Ik kreeg hem van mijn kapitein, die stierf te Waterloo. Het ging er daar geducht op los, toujours maar in het vuur. Vertel me dat een ander keer, geef mij de pijpenkop. Ik zeg zoals is zij in ’t graf En naast mijn zij, o God, Kreeg onze brave kapitein, Vlak in zijn borst een schot. Ik ving hem in mijn armen op. Ik droeg het gedrang hem uit, Verbond zijn wond en Zag met vreugd zijn stromend bloed gestuit. Toen gaf hij mij deez’ pijpenkop En ook zijn beurs vol geld. De beurs geef ik het arm gezin, Wiens huis is afgebrand, Zo dacht ik, maar de pijpenkop Komt nooit in ander hand. Sinds jaren lang bewaar ik hem Gelijk een relikwie Zo dikwijls ik mijn pijpje rook ’t Is of ik hem nog zie. Hoe heette hij, die brave kapitein? Wij noemden hem steeds beste vader Zijn naam was Van de Klein. Ziet gij daar ginds die gevelspits? Dat slot, daar woonde hij. Het was mijn vader, beste vriend. Dat huis behoort aan mij. Hebt gij mijn vader bijgestaan in d’uren van zijn dood! Kom brave man, ga dan met mij mee En eet voortaan mijn brood. Hoe is het mogelijk heer, Zijt gij zijn zoon en woont gij op zijn erf? Dan ga ik mee, De pijpenkop krijgt gij als ik eens sterf. |
| Gedicht versie 3 De Pijpekop “Dag,oudje! smaakt het pijpje goed? Wat rookt die kop mooi door! ’t Is echte meerschuim naar het schijnt, Zeg dan wat vraagt ger voor?, “Menheer, die kop is niet te koop, Ik kreeg hem als cadeau Op ’t slagveld van mijn kapitein, Die viel te Waterloo. Dat ging er daar geducht op los, Van ’s morgens twaalef uur. Tot ’s avonds, zonder nat of droog Toujour maar in het vuur.” “Vertel ùij dat een ander keer, Toe geef mij uw pijpekop Ik bied er U een gouden tientje voor, Eh, wel! stem toe, leg op.” ‘k Ben maar een arme man, menheer En heb een klein pensioen. Maar deed ger duizend gulden bij, Ik zou het nog niet doen. Ik stond, gelijk ik zei, in ’t vuur En naast mijn zij, O God, Kreeg onze brave kapitein, Vlak in zijn borst een schot Ik ving hem in mijn armen op En droeg ’t gedrang hem uit ‘k Verbond zijn wond en zag, zijn stroomend bloed gestuit. Toen gaf hij mij deez pijpekop En ook zijn beurs vol geld Hij drukte mij voor ’t laatst de hand, En stierf gelijk een held. De beurs gaf ik een arm gezin Wiens huis was afgebrand, Maar dees, menheer, pijpekop, Komt in geen vreemde hand. Sinds jaren reeds bewaar ik hem Gelijk een relikwie. Zoo dikwijls ik mijn pijpje rook, Is ’t of ik hem nog zie., “Schoon, brave man, hoe heette hij Die goede kapitein? “Wij noemden hem steeds: “beste vaâr.” Zijn naam was Vander Klein. Ziet ginsch in ’t bosch die gevelspits, Dat slot, daar woonde hij.” “Het was mijn vader, beste vriend, Dat huis behoort aan mij Hebt gij mijn vader bijgestaan In de ure van zijn dood, Kom, brave, kom dan mee met mij En eet voortaan mijn brood Is ’t mooglijk, Heer, zijt gij zijn zoon En woont gij op zijn erf? Ik ga met u mee. Den pijpekop krijgt ge eens, als ik sterf.” |
| Gedicht versie 4 De Pijpekop Dag oudje, smaakt je pijpje goed? Wat rookt die kop mooi door ’t is echte meerschuim naar het schijnt, Zeg op wat vraagt ge voor? Mijnheer, die kop is niet te koop, ik kreeg hem eens cadeau op ’t slagveld van mijn kapitein die viel bij Waterloo Dat ging er daar geducht op los van ’s morgens twaalf uur tot ’s avonds, zonder nat of droog toujours maar in het vuur Vertel me dat een andere keer toe geef me die pijpekop Ik bied er een gouden tientje voor wat draalt ge? zeg het op Ik ben maar een arme man mijnheer Ik heb maar een klein pensioen maar al deed ge duizend gulden bij zou ik die ruil niet doen Ik stond, gelijk ik zei in ’t vuur en naast mijn zij, O God kreeg onze brave kapitein recht in zijn borst een schot Ik ving hem in mijn armen op en droeg het gedrang hem uit verbond de wond en zag vreugd het stromend bloed gestuit. Toen gaf hij mij dee’s pijpekop en ook zijn beurs met geld hij drukte me voor het laatst de hand, en stierf gelijk een held. De beurs geef ik een arme man wiens huis is afgebrand, zo dacht ik, maar dee’s, pijpekop, komt in geen vreemde hand Sinds jaren reeds bewaar ik hem gelijk een relikwie zo dikwijls ik mijn pijpje rook is ’t net of ik hem nog zie Ziet gij daar ginds die torenspits? daar dat slot woonde hij Maar dat was mijn vader beste vrind dat slot daar behoort aan mij. Hebt gij mijn vader bijgestaan in de uren van zijn dood kom, ga met mij mee en eet voortaan mijn brood Is ’t mogelijk heer, zijt gij zijn zoon? woont gij ginds op dat erf? Ik ga met u mee. Dee’s pijpekop krijgt gij eens, als ik sterf.” |
| Gedicht versie 5 het origineel; Die Tabakspfeife »Gott grüß Euch, Alter! – Schmeckt das Pfeifchen? Weist her! – Ein Blumentopf Von rotem Ton, mit goldnen Reifchen? – Was wollt Ihr für den Kopf?« »O Herr, den Kopf kann ich nicht lassen! Er kommt vom bravsten Mann, Der ihn, Gott weiß es, welchem Bassen 2 Bei Belgrad abgewann. Da, Herr, da gab es rechte Beute! Es lebe Prinz Eugen! 3 Wie Grummet 4 sah man unsre Leute Der Türken Glieder mähn. -« »Ein andermal von euren Taten. Hier, Alter, seid kein Tropf, Nehmt diesen doppelten Dukaten Für euren Pfeifenkopf.« »Ich bin ein armer Kerl und lebe Von meinem Gnadensold; Doch, Herr, den Pfeifenkopf, den gebe Ich nicht um alles Gold. Hört nur: Einst jagten wir Husaren Den Feind nach Herzenslust, Da schoß ein Hund von Janitscharen Den Hauptmann in die Brust. Ich heb ihn flugs auf meinen Schimmel – Er hätt’ es auch getan – Und trag ihn sanft aus dem Getümmel Zu einem Edelmann. Ich pflegte sein. Vor seinem Ende Reicht er mir all sein Geld Und diesen Kopf, drückt mir die Hände, Und blieb im Tod noch Held. Das Geld mußt du dem Wirte schenken, Der dreimal Plündrung litt, So dacht ich, und zum Angedenken Nahm ich die Pfeife mit. Ich trug auf allen meinen Zügen Sie wie ein Heiligtum, Wir mochten weichen oder siegen, Im Stiefel mit herum. Vor Prag verlor ich auf der Streife Das Bein durch einen Schuß, Da griff ich erst nach meiner Pfeife, Und dann nach meinem Fuß.« »Schön, Vater, Ihr entlockt mir Zähren. So sagt, wie hieß der Mann, Damit auch mein Herz ihn verehren Und ihn beneiden kann.« »Man hieß ihn nur den tapfern Walter: Dort lag sein Gut am Rhein…« »Das war mein Ahne 5 , lieber Alter, Und jenes Gut ist mein. Kommt, Freund, Ihr sollt bei mir nun leben! Vergesset eure Not: Kommt, trinkt mit mir von Walters Reben Und eßt von Walters Brot.« »Nun top! Ihr seid sein wahrer Erbe! Ich ziehe morgen ein, Und euer Dank soll, wenn ich sterbe, Die Türkenpfeife sein.« [1] Bassen = Turken. [2] Franz Eugenius, prins van Savoye-Carigan (1663-1736). Een vanuit Frankrijk naar Oostenrijk gevluchte prins die als bevelhebber tussen 1716 en 1718 de Turks-Oostenrijkse oorlog in het voordeel van Oostenrijk beslechtte. [3] Grummet = Gras uit de tweede maaibeurt van grasland. [4] Ahne = Voorouder. | Gedicht versie 6 de originele “vertaling” »Dag oudje! Smaakt het pijpje goed? »Wat rookt die kop mooi door… »’t Is echte meerschuim naar het schijnt… »Zeg op, wat vraagt ge er voor?” – Meneer, die kop is niet te koop! Ik kreeg hem eens cadeau Op’t slagveld van mijn kapitein Die viel bij Waterloo Dat ging er daar geducht op los: Ik stond van ’t middaguur Tot ’s avonds zonder nat of droog, Tourjours maar in het vuur. – »Vertel me dat een ander keer; »Toe, geef me uw pijpekop »Ik bied er een gouden tientje voor… »Wat draalt ge – kom, zeg top!” – ‘k Ben maar een arme man, meneer, En heb een klein pensioen, Toch, deedt ge er duizend guldens bij, Zou ik dien ruil niet doen. Ik stond – gelijk ik zei – in ’t vuur, En naast mijn zij – o God! Kreeg onze brave kapitein Vlak in zijn borst een schot. Ik ving hem in mijn armen op En droeg ’t gedrang hem uit, Verbond zijn wond en zag met vreugd Het stroomend bloed gestuit. Toen gaf hij mij deez’ pijpekop En ook zijn beurs vol geld, Hij drukte mij voor ’t laatst de hand En stierf – gelijk een held De beurs geef ik het arm gezin, Wiens huis is afgebrand – Zoo dacht ik – maar de pijpenkop Komt in geen vreemde hand. Al jaren lang bewaar ik hem Gelijk een relikwie: Zoo dikwijls ik mijn pijpje rook Is’t of ik hem nog zie. – »Mooi, brave borst! – Hoe heette hij »Die goede kapitein?” Wij noemden hem »le bon papa”, Zijn naam was VAN DER KLEIN. Ziet gij in ’t bosch die gevelspits… Dat slot? Daar woonde hij! – »Het was mijn vader, beste vriend, »Dat huis behoort aan mij!” »Hebt gij mijn vader bijgestaan »In de ure van zijn dood… »Kom, brave, ga dan met mij mee, »En eet voortaan mijn brood” – Is’t mooglijk heer! Zijt gij zijn zoon? En woont gij op zijn erf?… ‘k Ga met u mee – den pijpekop Krijgt gij wanneer ik sterf. de originele “vertaling” uit het Duits naar het Nederlands Hij herschreef het in een Nederlandse versie Waar Pfeffel verhaalt van de strijd tegen de Osmaanse legers, vertaalt van Meurs dit naar de slag bij Waterloo in 1815 waar ook Nederlandse troepen bij betrokken waren. |
Hieronder de bevindingen van Tom Smolders
Met de versie van Bernardus van Meurs houdt de geschiedenis van de Pijpenkop niet op. Germania’s Dichtbloemen is immers een dichtbundel met in het Nederlands bewerkte gedichten uit de Duitse literatuur. Als auteur van De Pijpenkop geeft Van Meurs de Duitse dichter Gottlieb Pfeffel. De titel van het origineel is Die Tabakspfeife uit 1782, online beschikbaar via Gutenberg-online project van het Duitse blad Der Spiegel. Gottlieb Konrad Pfeffel (1736-1809) schreef het bovenstaande origineel:
Van Meurs vertaalde het gedicht van Pfeffel niet; hij herschreef het ook naar de Nederlandse context. Waar Pfeffel verhaalt van de strijd tegen de Osmaanse legers, vertaalt van Meurs dit naar de slag bij Waterloo in 1815 waar ook Nederlandse troepen bij betrokken waren. In deze slag werd zwaar gevochten om de boerderij Hougourmont, die zich op het slagveld bevond. Hierbij raakte het bouwwerk zwaar beschadigd. Van Meurs vervangt Pfeffel’s door plunderingen getroffen waard dan ook door “het arm gezin wiens huis is afgebrand”. Ook de weelderig versierde Turkse pijpenkop is vervangen door de meer Nederlandse pijpenkop van meerschuim. 1 Opvallend is ook dat Van Meurs de dramatische passage van Pfeffel, waarin de oude soldaat zijn been verloor, weg laat. Pfeffel was oprichter van de école militaire in Colmar; een op militaire leest geschoeide school naar Frans voorbeeld waar Duitse protestantse adellijke jongens hun opleiding genoten. Hij beschrijft in Die Tabakspfeife dan ook kleurrijk hoe de Duitse huzaren de Turkse Janissaren bevechten en hoe de soldaat in een linie vechtend door een schot wordt getroffen. Ook is de pijpenkop geen bezit van ‘dappere Walter’ zelf, maar oorlogsbuit die hij van een Turkse soldaat roofde. Deze lijkenroof en militaire details ontbreken in de versie van de Nederlandse dichterpriester.
De Pijpenkop van Bernardus van Meurs is meer dan een vertaling, het is een bewerking naar de Nederlandse context. De titel van de eerste druk luidde dan ook niet voor niets verzameld en overgeplant. Deze in een Nederlandse pot overgeplante bloem was ook in het Tilburg van het interbellum bekend en wordt ook nu nog door de oudste generatie herinnerd. Op het internet zijn immers nog twee andere verwijzingen naar het gedicht te vinden uit de herinnering van de oudste generatie. Omdat deze generatie veelal beperkt van internet gebruik maakt, is het moeilijk om in te schatten hoe veel mensen De Pijpenkop nog kennen. Wellicht staat deze dichtbloem nog op meer plaatsen ergens tussen de spreekwoordelijke geraniums in herinnering te schitteren.
1 Meerschuim is echter een materiaal dat traditioneel uit Turkije afkomstig is en waarvan in West Europa de betere pijpen werden gemaakt.
